Gecontroleerde, georganiseerde borstscreening in België

Dr. Luc Bleyen, Coördinator regionaal screeningcentrum Gent, Centrum voor preventie en vroegtijdige opsporing van kanker, Universiteit Gent


Borstkanker is een belangrijk gezondheidsprobleem

Elk jaar worden in België ongeveer 6000 nieuwe gevallen van borstkanker ontdekt, voornamelijk bij vrouwen. Jaarlijks overlijden 2500 vrouwen aan de gevolgen van borstkanker; het is de 2de doodsoorzaak bij vrouwen, na hart- en vaatziekten. Nochtans gaat het om één van de zeldzame kankers waarvan de sterfte door vroegtijdige opsporing kan verminderd worden.

Doelstelling van borstkankerscreening

De doelstelling van borstkankerscreening is de sterfte ten gevolge van borstkanker te doen dalen. Dit kan echter pas na 8 tot 10 jaar gemeten worden. Het is echter belangrijk om van bij de aanvang van een programma de procesparameters nauwgezet op te volgen en bij te sturen waar nodig.

Volgens gegevens van de Vlaamse Gemeenschap zien we dat voor Vlaanderen, over de periode 1991-2001 (dus vóór de start van het nationale programma), een dalende trend (15%) in de sterfte ten gevolge van borstkanker waar te nemen is. Dit is enerzijds te verklaren door betere behandelingsmethoden (wordt betwijfeld door Prof. Laslo Tabar), en anderzijds door het hoge aantal vrouwen dat al via pilootstudies (de voorlopers van het huidige opsporingsprogramma) een “screenings”-mammografie liet uitvoeren.

Organisatie van de screening

Op basis van de richtlijnen van “Europe against Cancer” en rekening houdend met de ervaring door pilootprojecten, hebben de Gemeenschappen en de Federale overheid keuzes gemaakt. Zij hebben een protocol ondertekend met het oog op de organisatie en de financiering, op nationale schaal, van een campagne van borstkankerscreening via mammografie bij vrouwen van 50 tot en met 69 jaar.

De Federale overheid neemt de radiologische kosten op zich, de organisatiekosten vallen ten laste van de Gemeenschappen.

In Vlaanderen ging de campagne van start op 15 juni 2001. De Vlaamse Gemeenschap legt de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de campagne bij de vijf erkende regionale screeningscentra, RSC UIA (Antwerpen), RSC VUB (Brussel), RSC LUCK (Leuven) , RSC UG (Gent) en VOB vzw (Brugge).

Deze RSC staan onder meer in voor de territoriale organisatie van de screening, het versturen van de uitnodigingen, de tweede lezing, de registratie van de gegevens en de berichtgeving naar de verwijzende arts en de vrouw.

In Vlaanderen is er daarnaast ook een voorname rol weggelegd voor de 26 Logo’s (LOkaal GezondheidsOverleg). Zij hebben de taak gekregen om samen met een RSC hun partners en de vrouwen in hun werkingsgebied te sensibiliseren.

Vrouwen kunnen een screeningsmammografie laten nemen in erkende mammografische eenheden. Dit zijn radiologische diensten die van de Vlaamse Gemeenschap een erkenning gekregen hebben voor het uitvoeren van screeningsmammografieën. Zij zijn onderworpen aan strenge kwaliteitsvereisten op het vlak van de radiologische uitrusting en expertise.

Vrouwen van 50 tot en met 69 jaar zonder klachten kunnen op twee manieren deelnemen aan de georganiseerde borstkankeropsporing. Ofwel schrijft hun vertrouwensarts een screeningsmammografie voor in een erkende mammografische eenheid (1ste spoor). Ofwel ontvangt de vrouw, die nog niet door een arts werd doorverwezen, van het RSC een schriftelijke uitnodiging om zich naar een erkende radiologische eenheid te begeven (2de spoor).

Het belang van een opsporingsprogramma

“Europe Against Cancer” raadt een 2-jaarlijkse screeningsmammografie aan bij vrouwen van 50 tot en met 69 jaar. Via de screeningsmammografie wordt bij vrouwen zonder klachten nagegaan of er afwijkingen aanwezig zijn die verder onderzoek rechtvaardigen. Een screeningsmammografie is dus geen diagnostisch onderzoek. Daarenboven is de mammografie niet 100% betrouwbaar.

Een advies voor bijkomend onderzoek na screening betekent dus niet automatisch dat er sprake is van borstkanker. Toch brengt zo’n bericht bij vrouwen meestal een emotionele schok teweeg.

Een zicht op de feiten.

Het Rapport van het Intermutualistisch Agentschap vermeldt dat het totaal aantal jaarlijkse mammografieën stijgt in de periode 1999-2002 van 33 % tot 49% bij de vrouwen van 50 tot en met 69 jaar. De stijging is vooral te danken aan het toenemend aantal screeningsmammografieën. Opdat aanzienlijk minder vrouwen (30 à 40%) zouden sterven ten gevolge van borstkanker, moet een screeningsprogramma voldoen aan een hele reeks criteria, opgesomd in de richtlijnen van “Europe against Cancer”, en overgenomen in het Vlaamse programma.
De doelstelling van de Vlaamse Gemeenschap is dat minstens 75% van de vrouwen van 50 tot en met 69 jaar om de 2 jaar een screeningsmammografie laten uitvoeren. Daar zitten we nog een eindje van verwijderd. Eind 2002 had slechts 22% van de vrouwen uit die leeftijdsgroep een screeningsmammografie laten nemen. Dit cijfer evolueert stilaan naar meer dan 30%. Dit lage cijfer heeft uiteraard te maken met het feit dat een “screeningsmammografie” nog niet voldoende is ingeburgerd in Vlaanderen, noch bij de vrouwen uit de doelgroep, noch bij de artsen die vrouwen verwijzen. De nodige inspanningen moeten dus geleverd worden om een positieve attitude ten opzichte van vroegtijdige opsporing van borstkanker en het opsporingsprogramma te krijgen.

Bijkomend probleem is het systematische gebruik van de klassieke (=“diagnostische”) mammografie (dus zonder 2de lezing), met toevoeging van een bijkomend echografisch onderzoek. Dit wordt door “Europe Against Cancer” ontraden, omdat het kan leiden tot nodeloze medicalisering. In Vlaanderen werd, zeker tot in 2002, nog een groot deel van de mammografische onderzoeken op een niet te controleren manier qua kwaliteit en opvolging uitgevoerd in een diagnostische setting.

Nog teveel wordt vroegtijdige opsporing van borstkanker verward met het doorgedreven zoeken naar een diagnose bij een patiënt met een klacht, terwijl de aanpak sterk verschilt. Vrouwen bij wie door de screening een borstkanker ontdekt wordt en vrouwen bij wie dit gebeurde na klacht, hebben een specifieke opvolging nodig. Erkenning van senologische centra voor de bijkomende onderzoeken en erkenning van borstklinieken is vandaag aan de orde.

Wat is de uitdaging?

De participatie van vrouwen aan het opsporingsprogramma is een prioritair aandachtspunt. Het is een complex proces, en we moeten ons onder meer de volgende vragen durven stellen:

  • Zijn alle vrouwen er zich voldoende van bewust dat borstkanker hun gezondheid kan bedreigen?
  • Weten vrouwen dat borstkanker via een mammografie in een vroeg stadium kan opgespoord worden, en geloven ze er in?
  • Weten alle vrouwen in de leeftijdsgroep van 50 tot en met 69 jaar op welke manier zij een screeningsmammografie in het kader van het programma kunnen laten nemen?
  • Wat is de ervaring van de vrouwen die aan het programma deelgenomen hebben, en zullen zij twee jaar later opnieuw deelnemen?
  • Blijven vrouwen zonder klachten er van overtuigd dat een combinatie mammo+echo beter is dan een kwaliteitsvolle uitgevoerde screeningsmammografie?

We kunnen ons dezelfde vragen stellen ten aanzien van de artsen. Geloven artsen in het screeningsprogramma? Vertrouwen ze het? Indien ze twijfelen, in hoeverre kan hun houding en gedrag met betrekking tot het programma dan positief beïnvloed worden.

 

Besluit

Een georganiseerd en kwaliteitsvol screeningsprogramma naar borstkanker heeft zin en vrouwen hebben er recht op. We moeten er samen naar streven dat meer screeningsmammografieën en minder klassieke onderzoeken uitgevoerd worden, met uitzondering bij vrouwen voor wie omwille van medische redenen, het klassiek onderzoek aangewezen is.

Een goede communicatie, kwaliteitsvolle dienstverlening en een vertrouwensrelatie opbouwen met de vrouwen en alle betrokken partners zijn noodzakelijke bouwstenen voor het welslagen van het screeningsprogramma.

Meer informatie: http://www.vlaanderen.be/kanker